joost groeneboer
culture notes
Soms zit mijn danskennis me in de weg. Vanaf het begin van de voorstelling Hopper heb ik het idee dat ik naar Ausdruckstanz zit te kijken. Een expressieve dansvorm uit het eerste kwart van de vorige eeuw, waarin emoties en gevoel centraal staan. Niet bepaald iets wat je van het Internationaal Danstheater zou verwachten.
    Zijn het hun zwarte outfits? De halflange rok van de danseres en de netjes in een vouw gestreken broeken van haar twee mannelijke collega’s?  Of zijn het hun blote schouders en kortgeschoren haar? Vooral komt het denk ik doordat er op blote voeten wordt gedanst. Met heel expressieve armbewegingen en gelaatsuitdrukkingen. Af en toe lijkt het alsof Mary Wigman, Isadora Duncan of Harald Kreutzberg – stuk voor stuk legendarische dansers die ik graag eens in het echt had willen zien – op het podium weer tot leven zijn gekomen.
   Maar als ik mijn associaties na afloop met de danseres deel, kijkt ze me aan alsof ze het in Keulen heeft horen donderen. Ook choreografe Neel Verdoorn zegt de Ausdruckstanz niet bewust in haar nieuwste stuk te hebben gebruikt. Maar helemaal op het verkeerde been zit ik volgens haar niet. Gevoelens als eenzaamheid en wanhoop – de zoekende mens – spelen in het werk van Edward Hopper een belangrijke rol. De beroemde Noord-Amerikaanse kunstenaar zou zich erg hebben laten inspireren door vooroorlogse kunststromingen. Bovendien vond Hopper, zegt ze, dat iedereen zijn werk mag interpreteren zoals hij of zij dat wil.
   Voor mij staat het vast: ik heb een prachtig staaltje Ausdruckstanz gezien. 

Het komt niet vaak voor dat je over één voorstelling twee verschillende columns kunt schrijven. Ditmaal is dat het geval. Zie mijn volgende column.

Al tijden ben ik niet bij een voorstelling van het Internationaal Danstheater geweest. Maar dit keer heb ik me laten overhalen door directeur Sophie Lambo, die alle zeilen bijzet om het gezelschap overeind te houden. Samen studeerden we ooit theaterwetenschap in Amsterdam. Verbazingwekkend vaak kom ik nog medestudenten tegen in de culturele sector – blijkbaar was het een goed jaar. En met een aantal ben ik nog altijd goed bevriend.
   Bij de première in het De La Mar Theater zitten er enkele ex-dansers in de zaal, maar vooral ook ‘Vrienden van het Internationaal Danstheater’, die al naar gelang hun donaties een of twee vrijkaartjes hebben gekregen. En hun bijdrage is hard nodig. Sinds het gezelschap vanaf 2013 geen structurele subsidie meer ontvangt, heeft het grote veranderingen ondergaan. Het heeft een onbezoldigde directeur en de pr-medewerker wordt voor maar een paar uur per week ingehuurd. Alleen een piepklein groepje wisselende dansers en dansmakers wordt nog betaald. Het geld dat is overgebleven van de verkoop van de Doelenzaal in 2016 wordt nu dus als het ware opgedanst.
   Van het oorspronkelijke publiek, dat vooral kwam voor de folkloristische dans en kostuums, is weinig meer over. Maar gelukkig dient zich een nieuw en ook wat jonger publiek aan. Een andere programmering heeft daar zeker mee te maken. Was er in voorstellingen als Fado en Mannen van de Tango nog sprake van dans en muziek van andere culturen, met Hopper lijkt het gezelschap weer een stukje verder te zijn gegaan. Moderne dans voert nu de boventoon.
   Na afloop schiet ik in de foyer enkele ‘vrienden’ aan. Wat vonden jullie hier nou van? Hans en Ans uit Nieuwegein zijn al vrienden vanaf 2002 en hebben dus de ‘goede tijd’ van het ID nog meegemaakt. ‘Het is nog erg wennen’, vertellen ze. Ze weten niet goed wat voor dansvorm ze hebben gezien en wat voor muziek gehoord. Maar ze zijn blij dat er weer – in de vorm van het DoelenEnsemble, nog zo’n gezelschap dat naar nieuwe wegen zoekt – als vanouds live musici op het podium waren te zien. Waarom zij nooit zijn afgehaakt?  ‘We willen graag dat het gezelschap in Midden-Nederland weer voeten aan de grond krijgt. En vooral zijn we benieuwd wat ze nu weer gaan doen.’ 
Als het licht aangaat, klinkt het applaus nog door. En opens staat Alida Dors onverwacht voor m’n neus. Zoentje links, zoentje rechts, zoentje links. ‘Hoi, ik was bijna vergeten dat je naast Backbone ook bij Solid Ground Movement werkt’, zeg ik. Alida: ‘Hoe vond je het?’. ‘Ik heb me prima vermaakt, maar ik weet niet goed wat ik nu precies gezien heb. Wat is de bedoeling van dit project?’ ‘Heb je 10 minuten’, antwoordt ze kordaat, ‘dan leg ik het uit…’ 
   Ik realiseer me dat ik hier met andere verwachtingen, bedoelingen zit dan de rest van het publiek. Een heel jong publiek dat de hiphopdansers luidkeels aanmoedigt en zich met hen identificeert. Zelf kom ik in de eerste plaats om iets te schrijven, mijn column. Bij het kiezen van een onderwerp moet er altijd iets zijn dat klikt, wat me trekt. In dit geval werd ik getriggerd door de webtekst voor Fix it van Solid Ground Movement: ‘We maken een reis van amateur naar professionele hiphopdans. Hiphop begint op straat amateurniveau (community). De nieuwe maker krijgt als opdracht een remake te maken van één van de scѐnes van de master en die moet hij/zij oplossen in een presentatie (semi-professioneel). Daarna laat de master zien hoe je hiphop in een theater kan vormgeven.’
   Dat klinkt als coaching. Solid is een talentontwikkelplek, vertelt Alida. Binnen het mastertraject zijn vijf nieuwe makers uitgenodigd om met aanstormend hiphoptalent aan de slag te gaan. Om te inspireren, maar vooral om nieuwe methoden van theatermaken te onderzoeken. Nieuwe filosofieën, zoals ze dat noemt. Want dat blijft een ding: hoe vertaal je hiphop van de straat naar het podium?
   Door griep van de master, Raphael Hillebrand (Brazilië/ Duitsland), is er ditmaal van coaching weinig terechtgekomen. Maar zijn optreden – ‘Ik heb nog nooit een voorstelling afgezegd’ – gaat wel door. Met zijn stem, met zijn hart, maar vooral met zijn lichaam, vertelt hij het verhaal van drie broers in nazi-Duitsland. Eerst ondersteunen zijn bewegingen vooral het woord, dan nemen ze het langzaam over…
Daar kan ik toch moeilijk van wegblijven? ‘Danskaraoke #2 in Tugela85’, lees ik in een kleine ad in het Amsterdams Stadsblad. Op maar 2 blokken afstand van mijn huis.
   Geen idee wat het is, maar mijn nieuwsgierigheid is geprikkeld. Is dit een nieuwe rage die aan mijn aandacht is ontsnapt?
Het lijkt nog niets massaals. Om zeven uur ’s avonds loop ik een klein, feestelijk versierd klaslokaal binnen, met aan de ene kant een kledingrek met kostuums en feestartikelen (Aha, wordt het zo’n avond?) en aan de andere kant een lange tafel met eten en daarboven een filmscherm. Ik word hartelijk begroet door een van de organisators, Noud Verhave, die later tevens de dansvideo’s aan elkaar praat: ‘Schep maar lekker op of neem wat tussen het dansen door.’
   Als ik met het bord op schoot de kring rondkijk, zie ik een tafeltje met jongeren die elkaar allemaal goed schijnen te kennen, en los langs de wand enkele oudere mannen. Op de goedkope maaltijd afgekomen, veronderstel ik, maar misschien denken ze dat ook wel van mij. Dan staat plots van een ander tafeltje initiatiefneemster, danseres en choreografe Keren Rosenberg op en neemt samen met een bevriende danseres het voortouw. ‘Danskaraoke is niet alleen erg leuk’, vertelt ze, ‘maar het stimuleert ook de creativiteit.’
   En dan bootst iedereen de bewegingen na van de dansers van Sacha Waltz en Sidi Larbi Cherkaoui. En van Freddy Mercury (stofzuigerdansje), Michael Jackson en andere grootheden die hun stempel op de dansgeschiedenis hebben gedrukt. Ook het ‘dikke‑vrouwen‑ballet’ Groosland, met de vleeskleurige pakken, komt voorbij: tijd voor de kostuums!
   Dat iedereen elkaar al schijnt te kennen klopt; ze hebben bijna allemaal eerder meegedaan met activiteiten van Moving Arts Project. Maar de veronderstelling dat de oudere mannen niet voor het dansen zouden zijn gekomen, houdt geen steek. Na enkele clips schuiven toch twee heren – eerst voorzichtig, later vol overgave – over de dansvloer. Eentje doet zelfs – heel aandoenlijk – strekoefeningen op de grond.
   ‘U houd van dansen?’, vraag ik hem na afloop. ‘Ja, heel erg’, antwoord hij, ‘het houdt je in beweging.’

‘Dit is een all-women stuk, zegt Sagi Gross, terwijl hij de laatste voorbereidingen treft. ‘Ik maak het mijn danseressen wel moeilijk. Ze dansen op spitzen, terwijl het alle drie moderne dansers zijn.’ Ondertussen prikt hij een van hen nog snel een kanten hoedje op. ‘Blijft het zitten?’ ‘Ik denk het niet.’ ‘Fuck the hoedje’, geeft Sagi het startsein. En natuurlijk vliegt het hoofddeksel binnen de kortste keren af.
   Soms weet ik bij God niet waar een dansstuk over gaat. Bij deze doorloop van Day Time Moon is dat wel anders. De danseres die op haar spitzen een solo danst, roept de ene na de andere associatie bij me op, al bedoelt de choreograaf er waarschijnlijk iets heel anders mee.         Met haar rode topje, zwarte rok en lange regenjas lijkt ze op een fotomodel dat zo van de catwalk weggelopen is. Of op een van die mechanische ballerina’s uit de jaren ’30 van speelgoedfabrikant Marx. Prachtige verzamelobjecten die al lang op mijn verlanglijstje staan.
Plotsklaps hapert de muziek. De danseres zakt in elkaar en komt weer schokkend overeind. Als een marionet waarvan iemand anders de touwtjes vast heeft. Af en toe lijkt ze zich te herpakken en kijkt het publiek recht aan.
   Na de solo vertelt Sagi dat hij voor zijn choreografie geïnspireerd werd door het geluid van een ‘broken record in the automate’. ‘Ik zag in eerste instantie een groep mensen voor me die diagonaal bewogen, als een windmachine, heen en weer…’
   Soms vormt een idee bij de choreograaf het uitgangspunt, soms de muziek. Hij heeft nog overwogen de solo Side A te noemen en het andere stuk Side B, als twee kanten van een grammofoonplaat, open voor interpretatie. ‘Je weet nooit wat er gaat gebeuren.’
   Dan wordt ‘de plaat’ omgedraaid. Hinkebenend starten de danseressen met deel twee…
Dat is toch veel te goedkoop? En kost het met workshop maar 50 euro extra? In de zorg zou zoiets stukken duurder zijn’, roept een van de aanwezigen, die met slechthorenden en doven werkt. ‘Dit pakket zou trouwens ook een uitkomst zijn om de creativiteit te stimuleren van slechthorenden of slechtzienden.’
   ‘Misschien moeten we de prijs dan maar herzien’, lacht Barbares Meneses, die samen met choreograaf Jesús de Vega in de Meervaart de Sensorium toolkit voor dans presenteert. Jesús vult aan: ‘En misschien kunnen we het pakket dan in een volgende editie uitbreiden met braille en trillingen…’
   Iedereen verwondert zich over de toolkit, die door ICKamsterdam is ontwikkeld, voorlopig in een oplage van 50 stuks. Het idee is simpel, maar goed doordacht. In het pakket zitten 7 afbeeldingen, 7 geluiden, 7 geurtjes en 7 zakjes met stukjes stof en texturen waarmee de leerlingen mogen experimenteren: zien, horen, ruiken, voelen. Het is de bedoeling dat ze deze zintuiglijke prikkels vervolgens omzetten in creatieve beweging. Het aanraken van raffia geeft bijvoorbeeld een heel ander soort dans dan latex of zijde.
   De Sensorium toolkit bevordert het mentale en fysieke bewustzijn, volgens de handleiding. Het idee is verder dat kinderen die ermee hebben gewerkt, voortaan met andere ogen naar dansvoorstellingen kijken, omdat ze zelf hebben deelgenomen aan het creatieve proces.
En de belangrijkste les: er is geen goed of fout.
   Dansdocent Zahira Mous van het Jeugdtheaterhuis in Gouda heeft de toolkit al met haar leerlingen uitgeprobeerd en is heel enthousiast: ‘Uit associatie werken lukt veel beter dan dingen gewoon nadoen. En wat er uit de improvisatie van de kinderen voortkomt, kan ik weer gebruiken bij onze eindvoorstelling.’
   Enkele van haar leerlingen zijn ook bij de presentatie aanwezig. Kirsten: ‘Als ik mijn ogen dicht doe, denk ik er niet teveel bij na. Als ik dan regendruppeltjes hoor, denk ik alleen: hoe zou ik daar op dansen?’
Zaterdag 28 januari – Een drietal reusachtige, bontgekleurde leeuwen – met in elk leeuwenpak twee dansers – danst voor de Chinese tempel op de Zeedijk uitdagend heen en weer, op en neer. Totdat een van de leeuwen een van tafels gemaakte stellage bestormt en de aan de tempelpoort opgehangen krop sla bemachtigd. Deze wordt gretig verorberd en dan weer uitgespuugd.
   Zo wordt het Chinees Nieuwjaar in Amsterdam met vuurwerk en leeuwendans ingeluid. Het is niet alleen een spectaculair schouwspel, maar ook een feest voor fotografen. De massaal omhoog gehouden mobieltjes, waaronder die van mij, blokkeren wel nogal het zicht. Een teken des tijds.
   Leeuwendansen leer je niet op een gewone dansschool, zoals je misschien zou denken, maar op kungfuscholen. In dit geval zijn het de leerlingen van de Liu He Men KungFu School uit Amsterdam Osdorp die de ceremonie verzorgen, versterkt door het leeuwendansteam van Philip Wong uit Hong Kong. Leuk is dat de dansers en muzikanten niet alleen van Chinese afkomst zijn, maar uit allerlei nationaliteiten bestaan. Even gemengd als het publiek. Ik volg de leeuwendansers op hun tocht langs Zeedijk en Geldersekade. Bij een drietal Chinese winkels en restaurants wordt gestopt voor opnieuw vuurwerk en leeuwendans. Pas als we het blok rond zijn, lukt het me een van de medewerkers aan te schieten die de menigte op een veilige afstand houdt. ‘Nee, niet iedereen van onze kungfuschool doet met het leeuwendansen mee. Dat mogen alleen de meest ervaren leden. Wat leeuwendans voor mij persoonlijk betekent? Ik hou van kungfu en de hele Oosterse cultuur.’
   Maak een foto van mijn T-shirt en bekijk onze website, daar staat alles op!’, roept ze me toe als de stoet weer verder trekt. Zo gezegd, zo gedaan. De leeuwendansers van Liu He Men traden een week eerder al op bij het Surinaamse consulaat in Buitenveldert, lees ik op hun site. Ook voor andere kungfuscholen blijkt de ceremonie een mooie manier om zich te profileren, en wellicht ook welkome bron van inkomsten. Martial Club Luk Hop Moon bijvoorbeeld was de tweede helft van januari bijna elke dag gesloten, wegens nieuwjaarsfeesten bij onder meer advocatenbureau Buren in de Industrieele Groote Club en vertaal- en trainingsbureau Chinese Access in Utrecht.
   Misschien een goed idee voor Dans Magazine om volgend jaar ook een groep leeuwendansers in te huren. Om de danssector tegen boze (bezuinigende) geesten te beschermen. Een voorspoedig nieuwjaar!
‘Ik begreep het niet helemaal.’
‘Het was wel heel knap.’
‘Ja, vetmoeilijk! En dat 20 minuten achter elkaar.’
“Ook al zou ik het willen, dat dans ik ze niet na.’
‘Ik krijg mijn been tot hier, maar zij helemaal tot HIER.’
‘Die lichamen, en die spieren! Haar armen leken wel die van een man!’
‘Morgen ga ik weer op dieet, vijf kilo eraf.’

‘Of wij hier met onze school zijn?
'We zitten op de Frank Sanders Akademie. Morgen komt de andere helft.’
‘Nee, het is niet verplicht, wij komen omdat we het leuk vinden. Dit is zo anders dan wat wij doen.
Wij doen musical. We zingen en acteren en dansen ook. Maar niet zoals dit.
Meer showdans, meer ensembledans.’
‘Het tweede stuk, Shahrazad, vond ik het boeiendst.
Maar dat komt ook omdat het verhaal me enorm aanspreekt.
Ik hou ervan als er een verhaallijn in zit, zoals bij De Notenkraker of Het Zwanenmeer.
Maar qua techniek was het laatste stuk van William Forsythe het beste.
Ik houd gewoon erg van spitzen. Ik zat al op mijn vierde op ballet.
Haha, misschien heb ik de verkeerde opleiding gekozen en had ik ballerina moeten worden…
Nee, toch niet, ik heb de juiste gekozen.’

‘En nu ben ik wel heel nieuwgierig naar wat u doet...’


De subsidies zijn weer verdeeld. Voor sommige dansgezelschappen reden om te juichen, maar voor een aantal ook slecht nieuws. Over de keuzes van de subsidiecommissies valt te twisten, maar twee ontwikkelingen baren me zorgen. Ten eerste dat op de productiehuizen bezuinigd wordt en ten tweede dat er steeds minder ruimte is voor niet-westerse dans. Ondanks dat ze het heel goed hebben gedaan, krijgen zowel Korzo Den Haag en Dansmakers Amsterdam nauwelijks of geen subsidie meer. In de danswereld wordt met onbegrip gereageerd; zijn het niet juist de dansproductiehuizen die voor talentontwikkeling en vernieuwing zorgen?
   En ondanks dat dansgroep BackBone van Alida Dors en festival Afrovibes subsidie hebben gekregen, zijn er in de ondersteuning van de niet-westerse dans flinke gaten gevallen. Het Internationaal Danstheater, dat de afgelopen jaren juist opgekrabbeld was en door het publiek voor voorstellingen als Mannen van de Tango, Fado en Crazy Blues hoog gewaardeerd, valt buiten de boot en vecht nu voor zijn voortbestaan.
   Ook het aanbod van internationale werelddans- en muziek is een flinke klap toegediend. Nadat al eerder het Amsterdamse Tropentheater zijn deuren moest sluiten, is nu RASA hetzelfde lot beschoren. De Gemeente Utrecht heeft de subsidie stopgezet, omdat het aanbod volgens de Adviescommissie Cultuurnota 2017-2020 niet gedurfd genoeg was. De commissie is van mening dat de functie ‘niet-westerse programmering’, los van RASA, stadsbreed een impuls verdient, maar ja...
   Een eigentijdse en innovatieve aanpak is prima, maar mij bekruipt het gevoel dat andere culturen in Nederland steeds meer buiten de boot vallen. Mismanagement of niet, met de sluiting van het MC Theater een paar jaar terug kreeg het multiculturele theater al een doodsteek toegediend. Wie volgt? Don’t Hit Mama? LeineRoebana, AYA of Dox?
Er wordt bevlogen gedanst. Daar ligt het niet aan. Maar ik word toch afgeleid door het publiek, dat zo anders is dan in het Muziektheater en ook weer anders dan bijvoorbeeld de theaters in de Nes. Het mooie van de gratis voorstellingen in het openluchttheater in het Vondelpark is dat ze toegankelijk zijn voor mensen die zich normaal niet kunnen veroorloven naar theater of dans te gaan. Maar ook groepjes vrienden, die ervan genieten om ontspannen met een glaasje en hapje een voorstelling te zien, vinden ernaar hun weg.
   Schuin voor me maakt iemand met een professioneel ogende camera de ene na de andere foto. En nu ik er op let, zie ik nog een tweetal amateurfotografen die een goede plek op de eerste rij hebben veroverd. Dit is ook iets wat in het normale theater niet kan.
   Direct naast me zit een iets oudere man te tekenen. Razendsnel danst zijn potlood over het papier. Af en toe kijkt hij snel even op uit zijn schetsboek om de bewegingen van de dansers te vangen. En af en toe blikt hij met een glimlach opzij naar mij. Net zo nieuwsgierig als ik naar zijn tekeningen ben, vraagt hij zich af wat ik allemaal opschrijf.
   ‘Het is zó inspirerend!’, vertrouwt hij me in de pauze met een licht Frans accent toe. Als ik hem vraag hoeveel tekeningen hij in zo’n korte tijd heeft gemaakt, bladert hij met me door het tekenblok heen. Eerst langs zijn vorige werk. Hij blijft steken bij een schets van het Scapino Ballet uit 2007. Wijzend op het jaartal: ‘Ik heb bijna tien jaar niet getekend. Dit is een van mijn laatste tekeningen voor mijn auto-ongeluk in Frankrijk. Hij heeft veel aan Nederland te danken, zegt hij. Hij heeft hier de Rijksacademie en Rietveld Academie gedaan. ‘Zonder dat zou ik dit niet kunnen, je moet de basis van modeltekenen hebben.’
   Hij is zichtbaar blij dat hij weer kan tekenen. De bewegingen van de dansers zijn zo inspirerend, verzucht hij, maar ook hun lichamen en gezichten. Terwijl de dansers voor de volgende voorstelling opkomen en hij een lege bladzij omslaat, zegt hij vlug: ‘Ik ga altijd aan de zijkant zitten, dat is de beste plek, daar zat ik in het theater ook altijd.’
 
Jammer dat ik niet naar de opening van de foto-installatie Free Fall ben geweest. Om de maker, choreograaf Jiří Kylián, daar lijfelijk met zijn levenspartner en muze Sabine Kupferberg aanwezig te zien, had er zeker een extra dimensie aan gegeven. Aan de andere kant ben ik blij dat ik nu bijna alleen op mijn gemak kan rondkijken, in plaats van met zijn honderden te zijn.
   Evenals zijn choreografieën is de foto-installatie van Kylián weldoordacht. Voor dit project heeft hij zijn vrouw, in het laatste kwart van de twintigste eeuw een van de belangrijkste danseressen van het Nederlands Dans Theater, van verschillende kanten gefotografeerd. Gelijktijdig van voren en van achteren. Een ingewikkeld proces, waarbij dansfotograaf Joris-Jan Bos hem heeft geadviseerd.
   De donkere dansstudio van Korzo binnengaand, loop ik direct tegen de achterkant van twee vrouwenhoofden op. Van Sabine en haar ‘duplicate’, zoals uit de flyer blijkt. De foto’s zijn zo in de ruimte opgehangen en opgesteld, dat het publiek er omheen kan lopen. En dus om Sabine heen. Sabine, in steeds verschillende uitdrukkingen en emoties. Met een felgroene appel in de mond of ronddraaiend tussen haar vingers. Met haar expressieve gezicht en handen, die zo mooi oplichten tegen haar strakke, zwarte jurk.
   Langs de wanden zijn bankjes neergezet, vanwaar je het licht- en lijnenspel rustig kunt gadeslaan en wegdromen op de muziek van Bach. In een hoek zie ik plotseling Sabine op een stoel als toeschouwer zitten. Is ze het echt of een wassen beeld? Ik besluit dat voor later te bewaren en eerst de tentoongestelde foto’s, filmbeelden en objecten af te zien.
   Alles zit vol symboliek. Zwart en wit. Leven en dood. Adam en Eva. Aarde, vuur, lucht… He, heb ik iets gemist? Waar is het water? Een beetje verscholen staat een houten box opgesteld, van binnen bekleed met spiegels. En daarin stroomt het kolkend water, vanaf alle kanten, in tegenovergestelde richtingen, en van opzij gezien oneindig verdubbelend.
   Was het nou Sabine die in het hoekje zat, hoor ik je al denken. Bij het verlaten van de studio, zie ik een bezoeker iets in haar oor fluisteren. Ze geeft geen krimp…

Wat is er nodig om over een nieuwe generatie dansmakers te schrijven?
Wat heeft de schrijver nodig?
Wat heeft de maker nodig?
Wat heeft de lezer / het publiek nodig?
   In januari was ik een van de panelleden van de bijeenkomst Dance Dialogue Live, die het Domein voor Kunstkritiek in samenwerking met Dans Magazine en Theatermaker organiseerde. Ruim 60 dansmakers, dansers, dansstudenten, programmeurs, pr-medewerkers, recensenten en andere schrijvers bogen zich over de toekomst van het schrijven over dans. In zo’n eerste bijeenkomst kan je eigenlijk alleen maar onderwerpen aanstippen, dus hopelijk wordt de discussie vervolgd. Want deze riep meer vragen dan antwoorden op:
   Hoe wekken we de interesse van een breder publiek?
Wat thematiseert de nieuwe generatie dansmakers?
Hoe maken we hun werk beter toegankelijk?
Door het werk te ondergaan en erover te communiceren, als een spiegel?
Wat is de veranderende rol van de criticus?
Moeten schrijvers meer deel uitmaken van het maakproces?
Hoe kunnen we in dialoog gaan met de maatschappij?
Een brug slaan, van binnenuit naar buiten treden, de niche openbreken?
Kunnen we met educatie het publiek er meer bij betrekken?
Hoe buiten we de online mogelijkheden uit?
Moeten we gaan vloggen en het publiek bevragen?
   Wie ben je en wie zijn je lezers?
En waarover schrijf je dan?
Meer over opleidingen, dansscholen en competities?
Over verschillende dansvormen en culturen?
Over lifestyle en gezondheid?
Over de praktijk, kijkjes in de keuken?
   En hoe schrijf je?
Meer open, direct, uitdagender?
Zonder opsmuk? Nieuwsgierig?
Wetenschappelijk, politiek, filosofisch?
Objectief of subjectief?
Hoe stel je eerlijke vragen?
Hoe krijgen we feedback?
Ik hoor het graag!

Waar leer je de beste dansmoves? Vroeger keken wij in de discotheek de pasjes van elkaar af. Dat is nu niet veel anders. Maar daarnaast zijn filmpjes op internet de manier om de nieuwste dansen onder de knie te krijgen. Zappend door YouTube kom ik een filmpje tegen van twee jonge dansers van Orokana Friends (Vlogs, dans en veel gekkigheid!), die in Amsterdam op zoek gaan
naar de nieuwste dansmoves. ‘We gaan mensen laten dansen vandaag! Wij zijn dansers en dansen is gezond voor je’, presenteren ze zichzelf.
   Een drukke winkelstraat, een cd-winkel, een kleding- en schoenenzaak, dat zijn de plekken waar je jongeren tegenkomt. Met de nodige bravoure haalt het duo opvallend veel winkelpersoneel en toevallige (en minder toevallige) passanten over om hun moves
voor de camera te doen. Zo zien we de wave in een warenhuis, een headspin in de snoepwinkel, een Turkse shake in de Kalverstraat, een dansend standbeeld op de Dam en een pirouetje voor Bart Smit. Zelfs een van tv bekende hairstylist krijgen ze zo ver om zijn kunsten te vertonen:
‘Oh, ik moet gewoon een pose doen?’
‘Een pose... ja, dat kan… een pose in a motion!’
‘Kan je je even voorstellen?’
‘Ik ben Mari van der Ven, ik doe haar en make-up…’
‘Ik wist het!’
‘Ja, hij wist het, hij wist het!’
‘Maar dan wordt mij dus gevraagd om een move… Ik hou van dansen, ik vind dansen heel erg leuk, maar wat versta je onder een move? Doe eens wat voor!’
‘Ok, ik doe iets voor…’
‘Oh, mijn goeie God, dat gaat me dus nooit lukken gewoon!’
Uitdagend draait Mari vervolgens 360 graden om zijn as.
‘Jaaaaa, kijk, kijk, high five! Ik geef u een kaartje, dan kunt u zichzelf vanaf volgende week vrijdag terugvinden op YouTube en Instagram.’
   Onder het filmpje hebben volgers van Orokana Friends hun stem uitgebracht. Ik lees:
Guy van de backflip is smooth 😁😍
Die kill in footlocker mann! fk hard
Scott was de beste: 9+
Chayenne 😄✌
Jullie natuurlijk

Een beetje braaf verhaal, maar wel pakkend. In de documentaire Dancing in Jaffa keert Pierre Dulaine, een bekroond ballroomdanser, terug naar zijn geboorteplaats Jaffa. Hij wil Joodse en Palestijnse kinderen dichter tot elkaar brengen door ze samen te leren dansen. De schoolleiding op de meeste scholen die hij bezoekt is enthousiast, maar ook sceptisch. Dulaine, die in 2006 model stond voor de charismatische dansleraar in de speelfilm Take the Lead, staat voor een grote uitdaging. Want er zijn jongens die weigeren een meisje aan te raken en meisjes die niet met jongens mogen dansen. Meerdere malen dreigt hij met veel drama het bijltje erbij neer te gooien, maar uiteindelijk overwint hij alle weerstand. Al komt wat die  weerstand inhoudt in de documentaire niet helemaal uit de verf.
   Wat wel duidelijk naar voren komt, is de verbindende en versterkende kracht van dans. Twee van de hoofdfiguren lijken zorgvuldig te zijn gekozen: een Palestijns en een Joods meisje, die allebei zonder vader opgroeien. Dat kan bijna geen toeval zijn. Pierre Dulaine, zelf van Palestijnse afkomt, verloor zijn vader kort nadat de familie in 1956 tijdens de Suez-crisis naar Engeland vluchtte. Tot zijn spijt heeft zijn vader nooit het succes mogen meemaken dat hij als ballroomdanser had.
   In de loop van de film zien we het Palestijnse meisje Noor veranderen van een onzeker wicht, dat gepest wordt en problemen heeft op school, tot een zelfverzekerd, stralend danseresje. ‘Als ze dans, danst heel haar gezicht mee!’, roept Dulaine enthousiast. ‘Ze ís een danseres’, antwoord haar moeder niet minder trots. ‘U zou haar eens moeten zien buikdansen.’
   Inmiddels vindt Dulaine’s project navolging in heel Israël. En de wereld wacht. Zijn boodschap: dansen geeft zelfvertrouwen, het helpt je er bovenop. Dansen brengt mensen dichter bij elkaar. Je leert elkaar te vertrouwen, te respecteren en samen te werken. Vaardigheden waar je de rest van je leven van profiteert.

Mijn oma of tante een verjaardagszoen geven, ik deed het vroeger met tegenzin. Ik had er al helemaal niet aan moeten denken om met ze te dansen, maar dat kwam gelukkig nooit voor. Kinderen van nu reageren niet anders. ‘Moeten we dit straks ook met die bejaarden doen?’, vraagt een jongetje opstandig als hij zijn handen in die van de dansdocente leggen moet. Aanraken is heel eng, maar dat is nu precies wat de kinderen in het winnende filmpje van het filmfestival Cinema Senior leren doen. De film Kijk in mijn ogen gaat over een gelijknamige dansvoorstelling met senioren, kinderen, twee professionele dansers en livemuziek. Twee ochtenden geven de dansers en muzikanten workshops in een verzorgingshuis en twee middagen aan de kinderen van een basisschool. Giechelend leren de kinderen elkaar in de ogen te kijken, elkaar aan te raken en onder elkaars armen door te dansen.
   ‘Voel eens even bij de buurvrouw, bij de buurman…’ Ook de ouderen, van wie sommigen met dementie, leren elkaar aanraken en daarmee ook anders te zien. Caroline Vermeulen, activiteitenbegeleider in een wooncomplex voor ouderen, zegt erover in de film: ‘Er is een zachtheid vanuit de dansers, vanuit de muziek. Maar die zachtheid wordt ook doorgegeven, alle bewoners reageren vanuit een zachtheid en dat is heel mooi om te zien.’
   Uiteindelijk maken de ouderen en kinderen vol enthousiasme samen een choreografie. Volgens Monique Masselink van Stichting pra muziektheater ‘een ontmoeting van twee generaties, die naar elkaar kijken, elkaar aftasten, elkaar aanraken en steeds dichterbij komen. Deze twee generaties hebben elkaar veel te vragen en veel te vertellen.’
   De ouderen, maar ook de kinderen genieten zichtbaar. ‘Toch wel leuker dan ik had gedacht’, reageert een van de leerlingen achteraf. En een andere: ‘Wel iets rustiger dan je doet met je familie, of vrienden’. In ieder geval voor herhaling vatbaar. Een ontroerend filmpje, op www.cinemasenior.nl.

‘Als je wilt komen kijken, kan je beter niet vanmiddag maar vanavond komen’, e-mailt Eefje Kan, zakelijk leider van jongerendansgezelschap Groundbreakers, ‘dat is misschien interessanter.’
   Eigen Weg gaat over het leven van Vincent van Gogh. Een voorstelling waarin jongeren zich kunnen herkennen: het zoeken naar je identiteit, het stellen van grenzen en het kiezen van je eigen weg. Dat geldt zeker ook voor de leerlingen van de Tobiasschool die om half acht staan te duwen om Podium Mozaïek binnen te gaan. Een speciale vmbo-klas voor jongeren met leer- en gedragsmoeilijkheden. 
   Eenmaal binnen zijn ze moeilijk tot bedaren te brengen. Als de dansers elkaar aanraken, vooral bij twee mannelijke, zorgt dat voor grote hilariteit. Maar de dansers gaan er inventief mee om. Een van hen wijst overdreven giechelend naar enkele leerlingen op de tribune. En zo trekken ze de aandacht weer naar zich toe. Als een van de danseressen op operamuziek een balletscène danst, is het verbazingwekkend stil, maar al snel keert de herrie terug. 
   De begeleidende leerkrachten hebben er hun handen vol aan. ‘Het geluid van de voice-over was te hard’, zegt een van hen achteraf tegen Eefje. ‘Dat brengt teveel onrust bij deze kinderen teweeg.’ Dit wordt ter harte genomen. ‘Ze vinden dit soort activiteiten wel leuk’, zegt een andere leraar. ‘We zijn ook naar ISH en een voorstelling in de Krakeling geweest.’
Hoewel dans vaak moeilijk te begrijpen is, hebben sommige leerlingen toch door dat de danser die zo gek lacht de schaduw of tweede persoonlijkheid van Vincent is. In het nagesprek vragen ze honderduit over hoelang de dansers al dansen en wat voor opleiding ze hebben gedaan. Ook weten ze perfect op te sommen wat voor dansvormen ze hebben gezien: ballet, modern, hiphop…
   ‘Groundbreakers is nu zes jaar bezig’, vertelt choreograaf Cunsong Xu, ‘en we hebben al meerdere producties gemaakt voor deze doelgroep. Maar het is elke keer moeilijk dansers te vinden die zowel urban als moderne dans beheersen. De voorstelling Eigen Weg is nog steeds in ontwikkeling. We hopen de première in het Van Gogh Museum, waarmee we een lesprogramma ontwikkelen, te doen. Het hoogtepunt wordt onze reis naar China dit najaar. Daar wordt het geen jongeren-, maar meer een familievoorstelling. En je hoeft er niets uit te leggen. In China kent iedereen Vincent van Gogh!’

Zo maak je samenwerkingen. Via via wist choreografe Maartje Jaspers te regelen dat ze voor de benefietvoorstelling Dance4Air – een van de dansers van de BeYOU DanceCrew uit Culemborg lijdt zelf aan Cystic Fibrosis (taaislijmziekte) – een deel van Douwe Eisenga’s compositie WIEK suite mocht gebruiken. Acht leden van het Westland Saxofoon Orkest werkten daar vrijwillig aan mee. Zij vonden dit zo leuk, dat hun leider Erik-Jan de With vroeg: ‘Maar waarom dansen jullie dan ook niet met ons mee bij de uitvoering van de suite in Amsterdam?’ En zo zetten een tiental danseressen en dansers van de Gelderse groep op 22 maart hun beste beentje voor in de Beurs van Berlage. Wat een ervaring om met een heel orkest in een van de mooiste zalen van Nederland te staan!
   Zelf word ik bij aanvang even op het verkeerde been gezet. Een van de musici legt uit dat de compositie geschreven is voor een voorstelling in een soort graansilo, waarbij de dansers over en onder de draaiende wieken heen moeten springen, alsmaar door. Maar hoe hard ik mijn best ook doe, daar zie ik vanmiddag niets van terug. Wat blijkt, is dat de uitleg een eerdere voorstelling, van theatermaakster Boukje Schweigman, betrof. 
   Maartje Jaspers heeft er haar eigen drieluik van gemaakt: Wind, Storm en Lucht. Veel tijd om met het orkest te repeteren was er niet, alleen één generale repetitie. Maar gelukkig treedt de BeYOU DanceCrew bij allerlei evenementen op, dus podiumervaring hebben ze wel.
   Wordt er fantastisch gedanst? Zeker vol overgave, en dat is altijd leuk om te zien. Ook leuk om te zien hoe verschillend de dansers allemaal zijn, lang, kort, met en zonder bril. ‘Bij onze audities let ik behalve op dansante aanleg vooral op openheid voor nieuwe experimenten en het vermogen om goed samen te werken ’, vertelt de leidster van de dansgroep die zelf meedeed achteraf. Charlotte van den Reek: ‘Het gaat er om het beste van jezelf te geven. We zijn allemaal anders. De een gaat nog naar school en de ander is accountant of bouwkundig ingenieur.’ ‘Dat is zeker een van de mannelijke dansers?’, veronderstel ik. ‘Nee’, zegt een danseres vanachter de informatietafel stralend, ‘dat ben ik!’ Weer op het verkeerde been.

In 2013, het eerste jaar van de bezuinigingen op kunstsubsidies, zijn 16 grote instellingen in de rode cijfers geraakt. Daaronder zitten grote namen als het Concertgebouworkest, het Nederlands Dans Theater en de Nationale Opera. Dat schrijft het NRC Handelsblad. De helft van de acht toneelgezelschappen sloot het jaar in de rode cijfers af, net als vijf van de negen orkesten, twee van de drie dansgezelschappen en alle drie de operagezelschappen. In paniek zijn de culturele instellingen nog niet, schrijft de krant, 2013 beschouwen ze als overgangsjaar.
   Hoewel wel ergens in kleine lettertjes staat vermeld dat er in totaal drie dansgezelschappen zijn bevraagd, kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat Nederland niet meer gezelschappen rijk is. Wat ik me gelijk afvraag, is hoe het met de kleinere dansgroepen is gesteld. Hoe houden zij het hoofd boven water? En hoe zit het met al die amateurgroepjes? 
   Hoeveel dansscholen en culturele centra zijn er nog over nadat ruim 60 % van de gemeenten het voorbeeld van de rijksoverheid heeft nagevolgd? Waar moet de jeugd van Gilze en Rijen straks dansen nu de gemeente de subsidie van het KunstPodium stopt? Gemeenten zoeken wel naar alternatieve manieren om kunst en cultuur te blijven ondersteunen. In Hilvarenbeek waar de muziekschool wordt gesloten, is het rugzakjesmodel geïntroduceerd; leerlingen krijgen voortaan subsidie voor muziek- of dansles naar keuze. Het blijft echter een doekje voor het bloeden.
   Maar het is bijna 2015. Laten we niet te veel terugblikken, maar vooruit. Misschien moeten we ons komend jaar wat minder bezig houden met de financiële waarde van kunst en meer met de maatschappelijke waarde. Want daar liggen de kansen. In de verbindende en versterkende kracht van kunst. En zeker die van dans. ‘Als ik dans, ben ik een ander mens’, zegt Martin Giling in een artikel in Dans Magazine over dans en parkinson. ‘Mijn hele wezen, mijn hele leven opent zich op de dansvloer.’ 

DanceAble, zo heet de inclusiedanscursus die Holland Dance het afgelopen seizoen hield en waarvan de deelnemers 24 januari een presentatie gaven. Inclusiedans is een dansvorm waar mensen met en zonder fysieke beperking samen dansen. Iedereen danst volgens zijn eigen mogelijkheden en de combinatie van mensen met en zonder beperking leidt tot een bijzonder nieuw contact.
Een mooie naam, DanceAble, want het impliceert dat iedereen kan dansen, beperking of niet. En dat dans toegankelijk is voor iedereen, althans zou moeten zijn. 
   In de dansstudio van Theater de Regentes in Den Haag staan twee rolstoeldansers en vier andere dansers klaar. En een klein publiek van ongeveer 30 familieleden, vrienden, geïnteresseerden en professioneel betrokkenen. Vooraf heeft de organisatie me ervoor gewaarschuwd dat het om een informele eindpresentatie gaat, want voor hen is de cursus ook nog nieuw en vrij kleinschalig. ‘Zodat je niet met een verkeerde verwachting naar Den Haag komt. Hoe dan ook, het wordt een inspirerende middag!’
   Met de verkeerde verwachting kom ik zeker niet. Ik heb de laatste decennia al eerder workshops en voorstellingen met dansers met en zonder fysieke beperking meegemaakt. En natuurlijk zijn er voorbeelden van dansers met één been of zonder armen die ongelooflijke staaltjes van danskunst laten zien. Maar bij een presentatie als van vandaag gaat het niet zozeer om het eindproduct als wel om te tonen waarmee de dansers de laatste tijd bezig zijn geweest en hoeveel plezier ze eraan beleven. Want dat doen ze beslist. Zowel de dansers met en zonder rolstoel (maar vooral de eersten) genieten zichtbaar van het contact. Opvallend is dat er tussen de rolstoeldansers onderling geen interactie is, maar dat verandert als na de presentatie het publiek, waaronder nog een dame op wielen, door dansdocente Joop Oonk op de dansvloer uitgenodigd wordt. 
   Het thema Realistic Selfie komt in de voorstelling nog niet helemaal uit de verf. Maar dat doet er wederom niet toe. Joop vertelt dat ze ter voorbereiding ook een WhatsApp-project hadden. ‘Tijdens de kerstdagen hebben de deelnemers me bedolven onder de toegestuurde selfies. Toen heb ik ze pas echt leren kennen!’

Op de rode pluche bank in de foyer van het MC Theater leggen de makers van Biko´s Quest uit wat we zojuist hebben gezien. De dansvoorstelling vertelt niet alleen het levensverhaal van antiapartheidsstrijder Steve Biko. Het gaat over zijn zoektocht naar rechtvaardigheid en de relevantie daarvan voor de huidige generatie in Zuid-Afrika. De handjes zand die de dansers op het podium uitstrooien, vertegenwoordigen de voorouders. Dust to dust. En om deel van het verleden te worden, smeren ze hun huid ermee in. Het is nog beter om het zand met water te vermengen, zegt artistiek leider Mandla Mbothwe, om de toekomst beter vorm te geven. ´Through the past we rediscover who we are. The next step is action, discovery is not enough!’ 
   Bij de volgende voorstelling van Afrovibes is de speelruimte door de projectie van een hoog raam in een gevangeniscel op Robbeneiland veranderd. Een Afrikaanse man, verbeeld door Themba Dredz Mbuli, dood de tijd door over een rij omgekeerde metalen emmers te balanceren. Zijn ketenen, die hij erop laat kletteren, veroorzaken een indringend ritme. Dan stroopt hij zijn broek omlaag en neemt op een emmer plaats om zijn behoefte te doen. Opeens voelt hij zich kennelijk bespied. Al zittend maakt hij tergend langzaam een halve draai totdat hij met zijn rug naar het publiek (lees: de bewaker achter het deurluikje) zit. Zijn achterste tonend komt hij vervolgens overeind. Na deze daad van verzet danst hij een wonderschone solo.
   Een indrukwekkende avond. Maar er hangt wel een schaduw overheen. Want het MC Theater is failliet. Het theater in de Westergasfabriek, dat voortkwam uit een fusie van de groepen Cosmic en Made in da Shade, maakte gebruik van de ‘uitstapregeling’. In 2013 ontving het eenmalig drie keer het jaarlijkse subsidiebedrag, als opstap om vanaf 2016 zelfstandig verder te gaan. Mismanagement of niet, ze hebben het dus niet gered. Daarmee verliest Amsterdam een belangrijk podium voor multicultureel theater en urban dance.
   Of hopelijk misschien toch niet?
Toen het toneelstuk Publikumsbeschimpfung van Peter Handke in 1968 voor het eerst in Nederland gespeeld werd, joeg een twintigtal jongeren de acteurs in Maastricht het podium af. Ze pikten het niet dat ze in dit ‘provostuk’ voor nazi’s en rotte vis werden uitgemaakt. Geheel overigens volgens de intenties van de toneelschrijver, die zich keerde tegen de gezapigheid van het publiek en de toeschouwers een spiegel wilde voorhouden: ‘Wij schelden niet op u, we herhalen alleen de scheldwoorden die u gebruikt.’ 
   Maar wat schokt het publiek anno 2014 nog? Een naakte verteller? Met haar ontwapenende glimlach en absorberende stem is er weinig schokkends aan. Een danseres die zover vooroverbuigt dat je vanachter als het ware recht naar binnen kijkt, is al een stuk provocerender. Maar tegelijkertijd ook grappig omdat haar stem daar vandaan lijkt te komen. Een scheldkanonnade op het publiek komt weinig overtuigend over. Waar je je echt even ongemakkelijk bij voelt, is de scène waarin de agressie van de hele groep zich op de kleinste danseres richt.
   Saai is Offending the audience allerminst. Er valt in deze dansbewerking op De Parade genoeg te zien. De dansers van Club Guy & Roni’s Poetic Disasters Club dansen energiek, goed en met lef. Het is nu het tweede jaar dat deze kweektuin van Guy Weizman en Roni Haver actief is en dat werpt zichtbaar zijn vruchten af. Voor de jonge dansers is het een mooie gelegenheid om podiumervaring op te doen en het kan een opstapje zijn naar het hoofdgezelschap in Groningen of andere dansgroep.
   Voortdurend communiceren de dansers en verteller met het publiek. Dit is het soort danstheater dat het op festivals prima doet. Of de voorstelling ook aan de bedoelingen van de toneelschrijver beantwoordt, maakt weinig uit. Terwijl de dans alle aandacht opeist, vervolgt Ruta van Hoof op monotone maar indringende toon: ‘Dit is geen spel. Wij hebben geen illusies nodig om u te kunnen desillusioneren… Er wordt met u gespeeld. Dit is een woordspeling…’ 

De eerste voorstelling die ik van hem zag is alweer 9 jaar geleden. In de Zondvloed, een intiem theaterzaaltje in de Rotterdamse wijk Katendrecht, namen Jaakko Toivonen en zijn dansers het publiek mee in een datingshow. PenPalNight, oorspronkelijk een kennismakingsspel uit de homoscene, was een voorstelling over vluchtige ontmoetingen, over versieren, daten en weer dumpen. In de beperkte ruimte naderden de dansers de rondlopende toeschouwers gevaarlijk dicht en soms pikten ze er eentje uit. 
   Zo ook in Toivonens nieuwste choreografie Rad van Avontuur, die ik half mei in de foyer van de Amsterdamse Krakeling zie. De voorstelling is amper een paar minuten bezig, of met veel bombarie wordt de man naast mij uitgenodigd aan het Rad van Avontuur te draaien – een risico dat je loopt als je vooraan zit. Hij wint een blind date en wordt door ceremoniemeester Confetti aan een feestelijk gedekt tafeltje gezet. Onder het genot van een drankje wacht hij met gespannen blik af wie er tegenover hem plaatsneemt. Een paar keer zwiert een danseres langs, maar helaas, de stoel blijft leeg. ‘Je hebt nu eenmaal winnaars’, zegt Confetti. ‘En losers!’, vult de bezoeker hem bijna triomfantelijk aan. Twee scholieren hebben meer geluk – al denken ze daar zelf waarschijnlijk heel anders over – en worden en public in de echt verbonden. En het uitverkoren meisje Karlijn wordt door de dansers toegezongen met de ene evergreen na de andere: Wake up little Karlijn, Living next door to Karlijn, Diamonds are Karlijns best friend
   Speelkaarten, monopoliegeld, confetti, zeepbellen, alles vliegt door de lucht in deze vaudevilleske, kermisachtige dansshow over de romantiek van gokken, spelletjes spelen, winnen en verliezen. Door de diversiteit aan dansvormen – van ballroom en showdans tot moderne dans – de humor en de interactie met het publiek is het een heel geschikte voorstelling voor scholen, maar ook op festivals zal hij het goed doen. En het is leuk om Jaakko Toivonen, vooral bekend als jurylid van So You Think You Can Dance, eens zelf vol overgave te zien dansen. 
   De voorstelling is elke dag anders, zegt de eigenzinnige dansmaker na afloop. ‘Vandaag was het een ideaal publiek. Maar gisteren, met tweehonderd onrustige jongeren…’ Klauwend steekt hij zijn handen voor zich uit en schreeuwt: ‘Arghhh!’ 

Jan Fabre heeft zijn theaterarchief beschikbaar gesteld voor het publiek. Foto's, videomateriaal, recensies en dramaturgische teksten van alle voorstellingen zijn nu gemakkelijk te vinden en online te doorbladeren op zijn website. Voorlopig bestrijkt het archief de voorstellingen vanaf 2000, maar daar worden nog oudere creaties aan toegevoegd. Dus wie weet is het binnenkort genieten van de originele versie van De Macht der Theaterlijke Dwaasheden uit 1984. 
   In België lopen theater- en dansmakers een beetje voorop met het documenteren en archiveren van hun projecten. Iemand die daarmee de laatste jaren flink aan de weg timmert is Anne Teresa De Keersmaeker, die met A Choreographer’s Score op schrift en film haar werkwijze heeft vastgelegd. Maar ook in Nederland beseffen choreografen meer en meer dat ze de door hen verworven kennis moeten doorgeven. Krisztina de Châtel heeft de Stichting Imperium opgericht om haar complete werk te beheren en jonge, eigenzinnige dansmakers te ondersteunen. Op haar website is een indrukwekkend overzicht met foto’s van al haar voorstellingen te zien. Het zou mooi zijn als daaraan ook filmregistraties en andere relevante documentatie worden toegevoegd.  
   Een choreograaf die het heel belangrijk vindt om dansstudenten te inspireren, is Jiří Kylián. Eind mei wordt tijdens het Kylián Festival het verslag van zijn onderzoeksproject One Of A Kind gepresenteerd. Samen met kunstenaars en wetenschappers uit verschillende disciplines, waaronder Michael Schumacher, Friederike Lampert en Désirée Staverman, deed Kylián bij Codarts Rotterdam onderzoek naar een reeks thema’s die gerelateerd zijn aan dans en choreografie: Dance and Age, Dance and Voice, Dance and Music, Dance and Visual Technology en Dance and Design. 
   Uit het oogpunt van kennisoverdracht, onderzoek en het behoud van ons cultureel erfgoed blijft het onbegrijpelijk dat de overheid twee jaar geleden besloten heeft Theater Instituut Nederland op te doeken. Gelukkig is de collectie – eveneens one of a kind – door de Universiteitsbibliotheek gered, maar gelukkig ook nemen dansmakers hun eigen verantwoordelijkheid. 
Reacties (30826)

In de studio van Dansateliers staan twee rijen mensen tegenover elkaar opgesteld. Als ik aan de beurt ben, betreed ik de menselijke tunnel, ik sluit mijn ogen, ontspan me en laat me voorzichtig vallen. Zorgzame armen vangen me op en duwen me door. Zo beweeg ik langzaam voort, van de een naar de ander, tot ik de bevrijdende woorden ‘ik ben de laatste’ hoor. Je moet elkaar bij deze oefening blindelings kunnen vertrouwen. Maar me helemaal laten gaan doe ik toch niet. Voortdurend ben ik me van mijn omgeving bewust. Aan de tegendruk voel ik of de ander me kan dragen of niet. 
   ‘Ik houd van mensen die een beetje ongecontroleerd zijn’, vertelt Mor Shani in een filmpje op YouTube, ‘maar in deze tijd moet je helaas alles voortdurend onder controle hebben om verleidelijk te zijn. Voor de mensen met wie je werkt, om je werk te verkopen, om seks met iemand te hebben en om geliefd te worden.’ 
   Liefde, daar draait het om in de workshops en voorstellingen van de uit Israël afkomstige choreograaf. Zijn project Love-ism is een studie naar intimiteit. Wat zijn de grenzen tussen goddelijke en verderfelijke liefde? Wanneer is er sprake van broederlijke liefde en wanneer wordt die erotisch? In een filmpje op www.love-ism.nl spelen een man en een kind liefdevol met elkaar. Hij is niet de vader, maar aan hun liefde is niets mis. 
   Shani staat graag midden in de maatschappij met zijn kunst. Na eerder de voorstelling Love‑ism te hebben gedanst, brengt hij nu zaterdags in Rotterdam een groepje amateurs bij elkaar die samen met enkele professionele dansers hun intimiteit onderzoeken. Koppels en niet-koppels, grootvader en kleinkind, man en vrouw, Martha en ik. Door de verschillende persoonlijkheden en het verschil in ervaring, ontstaat een inspirerende uitwisseling van ideeën, emoties en lichaamstaal. Dat het door een videokunstenaar op film wordt opgenomen, geeft er nog een extra dimensie aan. Het resultaat is 16 maart tijdens Cinedans in de film Things That Matter te zien. 
Reacties (26)

Twee jaar nadat ze Beyoncé terecht beschuldigde van plagiaat, moet Anne Teresa De Keersmaeker gedacht hebben: als mensen me willen na-apen, laat ze het dan goed doen. Afgelopen juni plaatste de Vlaamse choreografe op internet de oproep om een eigen versie van haar choreografie Rosas danst Rosas uit 1983 te maken en in te zenden. Het had een stroom van filmpjes tot gevolg, afkomstig uit alle hoeken van de wereld, van Mexico tot Shanghai. Alleen gedanst, met zijn tweeën, door dansstudenten, peuterklasjes en vier hoogzwangere vrouwen. 
   Ging de kopieerdrift van Beyoncé zo ver dat ze in haar videoclip van Countdown niet alleen De Keersmaekers dansidioom nadeed, maar ook nog eens de hele entourage van een lege fabriekshal overnam, dan tonen de inzenders van de Rosas-filmpjes zich toch heel wat inventiever. Ze spelen zich af op het schoolplein, op een voetbalveld en in het water. Als een flashmob op de roltrap, in de metro en op een spoorwegovergang. Vaak wordt er gedanst op heel andere muziek dan die van Rosas, bijvoorbeeld op het getik van een metronoom. Er zijn meerdere tangoversies en zelfs een met Bollywood-dans. 
   Op het moment van schrijven, staan er al 229 video’s online. Een verbazingwekkend aantal, als je bedenkt dat de structuur van Rosas niet de gemakkelijkste is. In het tweede deel van de choreografie vormen de letters van het alfabet het uitgangspunt. Zittend op een stoel worden deze in een herhalend en afwisselend patroon door de dansers uitgebeeld, waarbij ze elkaar af en toe zijdelings aankijken en kort toeknikken. Een scène die zich voor de meest humorvolle parodieën leent. 
   Wil jij zelf zo’n Rosas-filmpje maken? In een viertal videos op www.rosasdanstrosas.be leren choreografe Anne Teresa De Keersmaeker en danseres Samantha van Wissen je stap voor stap de bewegingen aan. Daarna kan je je fantasie de vrije loop laten en er jouw dans van maken. Zoals je op de website leest: jij danst Rosas

Het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) is de laatste tijd volop in het nieuws. Vanwege de cultuurbezuinigingen is het personeel van de bibliotheek ontslagen en zoekt de directeur naarstig naar manieren om de collectie veilig te stellen. De historische collectie over Nederlands roemruchte koloniale verleden gaat naar het Rijk. Het medische deel gaat naar het Kennis- en Documentatiecentrum voor Medische Geschiedenis in Urk en een paar duizend boeken over vrede en veiligheid naar het Vredespaleis. Maar voor ruim 700.000 andere boeken en manuscripten moet een andere bestemming worden gevonden. Anders belanden ze in de versnipperaar. 
   Natuurlijk bevindt zich in de collectie ook een schat aan boeken over dans uit andere culturen, uit Azië, Afrika, Zuid-Amerika. Het meest logische heenkomen daarvoor was Theater Instituut Nederland geweest, ware het niet dat dat vorig jaar ook is opgeheven en de theaterbibliotheek maar ternauwernood gered door de Universiteitsbibliotheek (UB) in Amsterdam. Is het teveel gevraagd als de UB zich ook over de theater- en dansboeken van het KIT ontfermt?  
   Tegelijkertijd lees ik dat het Tropeninstituut ruim 2400 objecten uit de museumcollectie online heeft gezet. Op de website van het Google Cultural Institute, waar musea uit de hele wereld voorwerpen uit hun verzamelingen laten zien. Natuurlijk kan ik het niet laten om binnen die website even te googelen op de zoekterm danc*. En warempel, tussen de beroemde danseresjes van Degas en Toulouse-Lautrec tref ik ook een danskroon met gouden blaadjes uit Bali en foto’s van dansende Papoea’s aan.  
   Op zich prachtig, zo’n virtueel museum waar je kunt rondzoeken op je eigen interesse, je eigen galerie inrichten en je favorieten delen met vrienden en familie. Maar ook bekruipt me een beetje onzalig gevoel: wat als straks alle foto’s van het KIT online staan en een voortvarende minister tijdens een volgende bezuinigingsronde besluit dat al die originele fotoafdrukken niet meer nodig zijn? 
Reacties (242)

Het is een beetje ons feestje. Want tijdens het Roots Festival hebben Martha Luz en ik elkaar in 2000 ontmoet. Maar tot onze verbazing is het Oosterpark dit keer met hoge hekken hermetisch afgesloten. Ook hier eisen de bezuinigingen op kunst en cultuur hun tol. Voor het eerst moet er voor het openluchtfestival worden betaald. Een bescheiden bedrag, maar toch. Zelf laten we ons er niet door weerhouden, maar we zijn bang dat het in deze crisistijd voor veel bezoekers een drempel is. Dat het festival niet meer het open karakter zal hebben als normaal, met alle culturen en bevolkingsgroepen door elkaar.
   En onze vrees lijkt uit te komen. Om half twaalf ligt het park ligt er nog verdacht verlaten bij. Met langs de wandelpaden veel minder eettentjes en stands waar sieraden, gekleurde tasjes en Afrikaanse maskers worden verkocht. Bij de verschillende podia met wereldmuziek staan wel groepjes mensen, maar we missen de gezellige drukte die bij zo’n mooie zonnige festivaldag hoort.
   Gelukkig hebben we die dag nog een ander feestje. In een kerk pal naast het Oosterpark vieren Ira Goldwasser en Harriett Broekman, beter bekend als Dr. en Mrs. Salsa, hun vijftigjarig huwelijk. Deze Amerikaanse psychiater en zijn vrouw hebben in de jaren tachtig met een eigen radioshow de salsa in Nederland op de kaart gezet. De eerste keer dat ik hen ontmoette was in 1995 in verband met een danstentoonstelling. Het leek of ik in een Woody Allen-film was beland. Ik belde om 12 uur ’s middags aan en ging pas om middernacht weer weg, na een onafgebroken reeks verhalen, mojito’s en vriendschapsverklaringen van de ‘crazy psychiatrist’. Ook nu op hun party zit de stemming er met hun bonte kennissenkring, verschillende live bandjes en veel salsadansen weer stevig in.
   Terug in het Oosterpark blijkt dit inmiddels toch volgestroomd. Wat hoop voor de toekomst geeft. Bij de muziektent verzorgt het Global Dancelab workshops buikdans en Afrikaanse dans. En het feestje is niet af zonder een optreden van de Malinese songwriter Rokia Traoré. Wat kan die adembenemend zingen én dansen!
‘Israël heeft geweldige dansers, Nir Ben Gal, daar heeft u vast wel van gehoord…’ ‘Mijn dochter is danseres, zal ik u in contact brengen met haar?’ Stom! Hier ben ik niet op voorbereid. Begin mei gaf ik in het Holocaust Museum in Jeruzalem een lezing over het joodse vluchtelingtheater in Nederland in de jaren dertig. En in het programma werd ik aangekondigd als hoofdredacteur van Dans Magazine, dus ik had op mijn vingers kunnen natellen dat ik er vragen over kreeg.
  We hebben een overvol programma. Tijdens een drie uur durende rondleiding, stuit ik op het ontroerende relaas van de Rotterdamse joodse danseres Catherina van den Berg, die – door de Duitsers gescheiden van haar man Jacques Frank – in het cabaret van doorvoerkamp Westerbork en later concentratiekamp Theresienstadt zo’n indruk maakte op Adolf Eichman, dat ze door zijn tussenkomst met haar pasgeboren kind de oorlog heeft overleefd. Een grillige speling van het lot, want veel collega’s vonden er de dood. Na de oorlog heeft ze daarom nooit meer gedanst. 
  De volgende morgen lopen we door de oude binnenstad. De opgedane indrukken krijg ik moeilijk uit mijn hoofd. Graag zou ik nog naar een Israëlische dansvoorstelling gaan, of de studio’s van een gezelschap bezoeken, maar morgen vertrekken we alweer. Dan komt na het zoveelste straatje met religieuze souvenirshops toch nog ineens dans op ons pad. Uit een steegje galmt Oriëntaalse muziek. We nemen snel polshoogte. Een openstaand poortje gunt ons een blik op een eeuwenoude zaal waar een groep jongens en meisjes – sommigen in folkloristische kostuums – dansles krijgt. Als de dansleider onze geïnteresseerde blikken ziet, worden we vriendelijk binnengevraagd. We leren dat het geen Israëlische, maar een Palestijnse dansgroep is. Een initiatief van de Old City Youth Organisation om de islamitische jeugd een betere toekomst te geven. We krijgen een brochure in de hand gedrukt, een laatste lach, en dan repeteren ze weer door, want deze zomer hebben ze een uitwisselingsproject met Zweden. Het festivalseizoen is weer begonnen. 
Reacties (236)

Buiten adem kom ik bij de Stopera aan. Buiten staan groepjes kinderen met hun onderwijzers te wachten tot ze naar binnen mogen. Voor elke zaalingang staat een kapstokje klaar. Een hoop georganiseer, zo’n kindermatinee. Snel nog een boterhammetje eten, naar het toilet en dan je plaatsen zoeken. ‘GA ZITTEN!’, zegt een juf tegen een jongen die niet gelijk doet wat ze zegt. 
   Op romeojulia.het-ballet.nl hebben de kinderen al kennisgemaakt met Romeo en Julia, met schrijver William Shakespeare en choreograaf Rudi van Dantzig. Het Nationale Ballet heeft voor de leerlingen én leerkrachten een uitgebreid lesprogramma samengesteld. Ze leren wie wie is, want het verhaal zit best ingewikkeld in elkaar. Ze kunnen er hun eigen stamboom maken en via de Woedemeter te weten komen wat voor iemand ze zijn. Wat voor score zou die juf hebben, vraag ik me af.
   De jongens zijn net jong genoeg om zich niet te stoer te voelen voor ballet. Behalve één ‘lastpak’ die tussen twee leerkrachten zit ingeklemd. Het weerhoudt hem er niet van luid BOE te roepen, terwijl de andere kinderen klappen. De onderwijzers kijken onverstoorbaar voor zich uit, blijkbaar zijn ze niet anders gewend. Maar als toneelmeester Sjors na de eerste akte in plat Amsterdams uitlegt hoe de decors gewisseld worden en daarbij ook de theaterlichten laat zakken, klapt de jongen de handen uit zijn lijf. Dat is toch wel heel vet, zo’n enorme rij flitsende lampen! Weer een zieltje gewonnen, want na de pauze danst hij vol overgave mee met het ‘zaaldansje’ dat ze al op school hebben ingestudeerd en hen nu door een zestal dansdocenten wordt voorgedaan. 
   Een prachtig gezicht, een zaal vol kinderen die tussen de stoelen dansen. Maar misschien niet zo slim om dit voor de laatste akte te doen. Nu zijn ze onrustig en applaudisseren bij het minste geringste. Wat komische situaties oplevert, vooral als Julia doet of ze dood is. ‘Doe niet zo irritant, je mág niet klappen’, sist het jongetje voor me. Het maakt niet uit, de leerlingen hebben de middag van hun leven. Als de dansers aan het einde buigen, barst het applaus los. En reken maar dat dat klinkt, 1100 klappende, juichende en fluitende kinderen!

Shit, wat doe ik nu weer verkeerd! Op opnieuw starten gedrukt. Net nu ik foto’s wil maken, is mijn nieuwe mobieltje – of zeg maar mobiel met dit formaat –vergrendeld. Wat is ook weer de pincode? In paniek toets ik de door mij meest gebruikte combinaties in. Na drie missers wordt om de PUK-code gevraag. Een fotoreportage voor de website zit er dus jammer genoeg niet in. Maar gelukkig wemelt het 2 februari in Paradiso van de goed uitgeruste fotografen bij de hiphopwedstrijd House Dance Forever.
   Wie een keer echt wil weten wat er in de underground danscultuur gebeurt, gaat niet naar een gelikte dansshow, maar naar een dance battle toe. Wat een energie komt er los als meer dan 100 dansers – uit heel de wereld – op de stevige house beats elk één minuutje helemaal los gaan. 
Number 11 – WOOOOOH, moedigt de MC aan
Number 26 – Davert met een koprol de ring binnen
Number … –  Meisje van nog geen 10 mag onder luid gejuich 4 minuten doordansen.
Number 64 –  Twee meisjes in publiek steken afwerend de voeten naar voren als danser te dichtbij komt.
Number 65 – ‘DISOBEY’ staat met grote letters op zijn T-shirt. Mooie glijdende bewegingen!
Number … – Danser ziet zichzelf op grote filmscherm en battelt tegen zichzelf.
Number … – Jongen in blauwe trainingsbroek maakt plotselinge freeze en spant zijn spieren: This is me!
Number 86 – Ik weet ineens mijn pincode weer: 1111.
   De avond is nog lang niet afgelopen. Nu pas beginnen de echte battles. Eerst de winnaars van de ‘audities’ tegen elkaar, dan een zwaardere tweede ronde, en uiteindelijk de survivors tegen de juryleden zelf! Dan komt het verschil in ervaring kijken. Maar wie er wint lijkt ogenschijnlijk niet zo belangrijk. Hiphop is geen oorlog. ‘Het gaat om movement, niet om de moves’, bezweert de MC. 
   Tussendoor en achteraf wordt flink doorgedanst. Niemand wil voor elkaar onderdoen. Een feest om zoveel enthousiaste jonge dansers bij elkaar te zien!

Naar aanleiding van het interview vorig nummer met Vincent & Flo, schreef een dansdocente zich zorgen te maken over de inhoud van het blad: ‘Wat heeft dit nu nog met ‘jonge dansers’ te maken?’ Ik kan me haar opmerking goed voorstellen. Met de jongeren waaraan zij les geeft waarschijnlijk niets. Maar naast gevestigde dans probeert Dans Magazine ook nieuwe ontwikkelingen te laten zien en die bewegen zich soms op het snijvlak van theater en dans. 
   Alle reden om op 30 november een kijkje te nemen bij Spirit van Vincent & Flo. Voor de deur wacht een gemengd publiek. Vrienden en fans van het dansduo en oud-studiegenoten van de Theaterschool en School voor Nieuwe Dans Ontwikkeling. Maar ook toeschouwers die je normaal bij een dansvoorstelling nooit ziet. Middelbare mannen met snorren die waarschijnlijk naar Frascati zijn gelokt door het de dag ervoor in de NRC verschenen artikel ‘Bloot, bloter, blootst’. 
   Bloot is de voorstelling zeker en door de rondvliegende bloedrode verf en het fysiek geweld soms best schokkend. Maar toch stukken minder provocerend en vulgair dan verwacht. Vanaf het begin dat Vincent met een groot Chinees babymasker poedelnaakt het toneel opkomt, ben ik aangenaam verrast. Met veel liefde en humor dansen de twee blote baby’s met elkaar, maken ruzie en plenzen rond in bad. Heel aandoenlijk.
  Terloops onderbreekt Flo de voorstelling, laat een drankfles rondgaan en kondigt aan dat dit hun laatste show samen is. We blijken op het verkeerde been te zijn gezet, maar er zit wel een kern van waarheid in. Elke keer kan het afgelopen zijn. Vincent en Florentina zijn twee superintelligente jonge performers die fysiek en psychisch elkaars grenzen opzoeken. Voortdurend liggen ze met zichzelf, elkaar en de wereld overhoop.
  Maar ‘don’t fear!’ Verfkotsen en plasseks worden ditmaal achterwege gelaten. Misschien om het ‘pornopubliek’, waarop Flo afgeeft, zijn zin niet te geven. Misschien omdat Vincents oma in de zaal zit. ‘Zijn broer werkt ook in het theater’, vertrouwt deze me na afloop trots toe. Ondertussen wisselt een bijna blote, onder zilveren honing bedolven Vincent kusjes uit met enkele geestverwanten. Met een stralende glimlach overhandigt hij me hun pamflet: Don’t waste your planet.
‘Te conceptueel!’ Toch al moe, vertrekt mijn partner in de pauze naar huis. En dat is misschien maar goed ook. Want hier was ze niet blij van geworden. De danseres die in het eerste dansstuk van de double bill bijna een drumstel aan flarden sloeg, leeft zich tijdens haar solo pas echt uit.
   Met een verbeten blik stalt Aitana Cordero op de zwarte vloer het ene na het andere voorwerp uit. Elektriciteitskabels in rechte lijnen en diagonaal. Bezems en zwabbers tegen de muur. Oude platenspelers, monitors en afgedankte decorstukken, het hele rekwisietenhok van Frascati wordt door de Spaanse danseres leeggehaald. In vlagen van drift slaat ze een paar toetsenborden en ander apparaten kapot. Een schroevendraaier wordt met kracht in een plastic mand gedreven. Ze houdt niet op voordat alles stuk is. Ondertussen schalt het ene na het andere liefdesliedje en antiliefdesliedje de zaal in.
   Nee, van zoveel geweld wordt je niet vrolijk – naast me krabt een collega-danser van haar uit het eerste stuk zenuwachtig aan zijn arm. Dit lijkt niet meer gespeeld. Wat is er in vredesnaam aan de hand? Een verbroken relatie? Of nog erger, het kwijtraken van een kind? Daar wijzen wat opgehangen kinderkleertjes en een (verpletterde) rode lolly wel op.
   Solo, alleen! Even vastberaden veegt en sjouwt de jonge vrouw de brokstukken uit haar leven weer bij elkaar. In grote kringen rent ze krachtig om de wigwam van stukgeslagen apparaten in het midden van de vloer. Als een ritueel. Dan werpt ze zich ter aarde, maakt wat laatste stuiptrekkingen en begraaft zich letterlijk in de puinhoop.
   Als het licht weer aangaat, wijst ze met betraande ogen nog een keer demonstratief naar de aangerichte ravage: Kijk, zover heeft het dus moeten komen!
   Vanaf de kant van de zaal nemen twee medewerkers van het theater de schade op. ‘Dat was een box van 3000 euro’, zegt de een vol ongeloof. In schril contrast wandelt even later een juffrouw met champagneglaasjes langs. 

‘Wanneer gaan jullie weer verder?’ ‘Je hebt geluk, over tien minuten.’ Lachend: ‘Wil je meedoen?’ Bijna juichend rent het jochie – een jaar of tien, sneakers, korte broek en stekelhaar – naar zijn moeder om verslag te doen.
   Ondertussen komen de breakdansers bij. Wat eten en drinken, lol maken met de voorbijgangers en nog snel hun vorige optreden evalueren: ‘Je moet niet zo schreeuwen, zonder dat bereik je ze ook wel.’ 
   Nog voordat de tien minuten voorbij zijn, zet een van de jongens de gettoblaster aan en begint slow en cool op de muziek te bewegen. De een na de andere danser voegt zich bij hem, voorbijgangers stoppen en langzaam vormt zich een publiek. Op de stoep wordt in een cirkel een lijn gespannen, en de show kan beginnen. ‘Sluit goed aan, zodat niet een of andere gek de kring instormt!’
   De tien jongens staan op een rij. Sons of God ontcijfer ik op sommige van hun T-shirts, en bij anderen Skill Dealers Crew. Eerst even opwarmen. Onder het meeklappen van de toeschouwers, laten ze hun yell horen: 
      It’s free to give,
      But the more you give, the better we live
      If you give 5 euro, we are stars.
      If you give 10, we are superstars
      If you pay 50, we come home with you!
Het publiek lacht flauwtjes, maar het optreden dat ze vervolgens te zien krijgen, zit goed in elkaar. Gevoel voor show hebben de jongens beslist. Om de beurt doen ze hun ding. Ze buitelen over elkaar heen en kronkelen ineengehaakt als een slang over de grond. Als afsluiter vormen drie dansers samen een karretje en drijft een vierde ze met zweepbewegingen voort. 
   Vol bewondering kijkt het jochie toe. ‘Ik wou dat ik 10 euro had’, verzucht hij. ‘Voor 50 euro mag je ze meenemen naar huis’, plaagt z’n moeder. Met zijn tong uit de mond kijkt hij haar vol ongeloof aan. Voordat hij een woord kan uitbrengen, vervolgt ze: ‘Maar ik wil ze niet hebben hoor!’

De policy is niemand meer binnen te laten na aanvangstijd. Maar voor een recensent wil het theater wel een uitzondering maken. Eenmaal binnengesmokkeld zie ik een grote kast op het toneel staan, waarachter een grote groep jongeren zich verschuilt. 
   O nee, een kast, is mijn eerste gedachte, waar heb ik dat eerder gezien? Met een kast kan je van alles doen. Op zijn kant is het een bar en plat een podium. In een eindeloze reeks variaties komen de jongeren uit de kast en verkennen elkaar. Met humor draaien ze om elkaar heen, trekken elkaar aan, stoten af. Eén jongen komt figuurlijk uit de kast. De kast terug ingaan is lastiger. Elke keer wordt de deuropening door een danseres in pose geblokkeerd. 
   Een kast kan ook een obstakel zijn, met hun koffers komen de jongeren er soms moeilijk door. En zonder muziek hoor je iedere steun en kraak. Koffers, nog zoiets. Ook die bieden eindeloze mogelijkheden. Als verkleedkoffer of trukendoos. Een hoepel, rollerskates, een gitaar, een voor een toveren ze het voorwerp tevoorschijn dat bij ze past en doen hun ding. Aan het eind gaat de saaie, uniforme kleding uit en – je raad het al – veranderen de jongeren met clownspakken en felgekleurde doeken in eigen persoonlijkheden. Het alledaagse tot circusact verheffen, dat was de bedoeling van de choreograaf. 
   Verrassend? Nee. Teleurgesteld? Ook niet. In de finale laat Dance Mix Theatre zien dat ze best goed kunnen dansen. Alle vrienden vinden het ‘superleuk’ en de blikken van de ouders zijn goud waard. Ik ben blij dat er theaters zijn die jongeren de ruimte bieden om een jaar lang hun talenten, zichzelf en de wereld te ontdekken. En dat vervolgens ook nog eens aan andere jongeren kunnen laten zien. 
   Poppetje gezien, kastje dicht. Ik pak mijn koffers en ga naar huis. Bedankt voor het binnenlaten, zeg ik tegen de receptioniste. ‘Dat was op twee voorwaarden’, antwoordt ze lachend, ‘dat je een goede recensie schrijft – nee, dat kan ik niet eisen – en dat je de online petitie voor ons voortbestaan tekent.’
‘Komt voor elkaar, De Regentes gaat door!’

Tussen het verhuizen en verbouwen door, bezoek ik in het Centraal Museum in Utrecht God save the Queen, een tentoonstelling over punk, kraken en kunst. Het laatste is een verrassing, want de beeldende kunst heb ik eind jaren 70, begin jaren 80 niet actief meegemaakt. Kraken en punk vormen echter een feest der herkenning. Vooral alle opruiende pamfletten en blaadjes, die ik destijds bij RAF en Atheneum kocht. 
   ‘Rock a billy is een muziek waar vele rockers te gek op gaan. Échte rockers, dus geen Travolta figuren’, lees ik in een punkblaadje Raket uit 1979. De samenstellers van de tentoonstelling hebben het goed getroffen. Want al kan ik Travolta tegenwoordig wel waarderen, zó voelden we ons: géén hippie-, disco- en fakemuziek. 
Weer thuis sla ik aan het opruimen. We hebben besloten onze inboedel te halveren. Dat geldt voor de enorme papierberg die ik in twintig jaar schrijven heb opgebouwd, maar ook mijn omvangrijke grammofoonplatenverzameling – ik werkte vroeger bij Elpee – moet er aan geloven. 
   Ook al draai ik de meeste platen niet meer, toch valt het afscheid me zwaar. Een voor een laat ik ze door mijn handen gaan. Rattus Norvegicus van The Stranglers, mijn eerste punkplaat, nog voor ze de hitparade haalden. Driemaal zijn we er voor naar Paradiso gegaan. De eerste elpee van U2, live in Torhout gezien. The Boys, die in korte broek met beenbeschermers in een sportzaaltje in Schalkwijk optraden. Die bescherming was niet overbodig, want vanuit het publiek werd van alles het podium opgegooid. Niet omdat ze niet goed waren, maar omdat dat er bij hoorde. De dans – of eigenlijk antidans – was de pogo, waarbij het de kunst was zo hoog en hard mogelijk tegen elkaar op te springen en botsen. Ook niet te hard, want zo dapper waren we nu ook weer niet.
   Elke plaat heeft zijn herinnering en ik besluit voor de zoveelste maal mijn punkcollectie intact te houden. Dus als er iets weg moet, moet het iets anders wezen. Mijn soul- en reggaeplaten? Ook lastig. Zelfs bij de enkele discoplaat twijfel ik. Saturday Night Fever houden we toch nog maar.

Wat vond je goed? Waar wil je heen met deze ervaring? Wat vond je niet fijn? Wat neem je mee? Wanneer voelde je je kwetsbaar? Dat zijn de vragen die Allies Swinnen de deelnemers van Dance Date stelt. Vijf vragen, voor iedere vinger een. 
Goed vinden de jongeren het vertrouwen dat de choreografen in hen stelden, het samenwerken in één groep, het verkennen van hun grenzen. Wat ze meenemen? De kennis en kracht die je bij het maken van een voorstelling opdoet. Die kun je in het dagelijks leven ook goed gebruiken. En zelfreflectie. Het ontdekken van je passie. Het gewoon een keer hebben meegemaakt. Frustrerend was dat je op een gegeven moment wel begreep waar de choreografie over ging, maar dat het lichaam nog niet mee wilde werken. Het maken van een solo van drie minuten, die je aan de groep moest laten zien, was misschien nog wel het engste. Een kwestie echter van even doorbijten: ‘Op een gegeven moment kom je in de flow en dan denk je: oei, ik kan het wél!’
   Dance Date maakt deel uit van het stimuleringsprogramma Het beste van twee werelden van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Een honderdtal amateurdansers kreeg na een strenge selectie de kans een voorstelling te maken onder leiding van een professionele choreograaf, waaronder Jiří Kylián, Ed Wubbe, Conny Janssen en Marco Gerris. Dance Date ging tijdens Holland Dance in première en gaat nu op tournee. Organisatorisch een enorme uitdaging, want ook al tekenen alle dansers een contract, dan nog moet je maar afwachten of ze niet afhaken door de slopende combinatie van voorstellingen, stages en school. 
   Maar voorlopig vinden de jongeren het 100 % waard. Tijdens het Dance Date Debate mogen ze de aanwezige choreografen zelf ook enkele vragen stellen. Of deze ooit moedeloos van hen zijn geworden. Of er dansers door de audities zijn gekomen waarvan ze achteraf dachten: foutje! En een beetje opportunistisch: als ze over twee jaar weer auditie zouden doen, maken ze dan meer kans door de band die tussen choreografen en dansers is ontstaan? Daarover is Marco Gerris van ISH kort: ‘Nee! Dat doe ik bij mijn eigen dansers ook niet.’ Vol humor: ‘Wie vroeg dat? O ja…’

Een beter afscheid kan je je niet wensen. In de Theaterschool in Amsterdam neemt Margot Rijven op 24 november afscheid als coördinator van Dans & Gezondheid middels een symposium over dit onderwerp. Ze heeft drie (inter)nationale toppers op dit gebied uitgenodigd om een lezing te geven, waaronder ontwikkelingspsycholoog en bewegingswetenschapper Jacques van Rossem, die vanaf 1996 ‘huisonderzoeker’ is van de dansafdeling van de Theaterschool. In zijn presentatie passeren verschillende rapporten de revue die sindsdien onder supervisie van Rijven het licht hebben gezien. Op een speelse manier test Van Rossum wat er onder het publiek nu wel en niet bekend was over dans en gezondheid. Met een zaal vol collega’s dansmakers en dansdocenten is het resultaat tamelijk voorspelbaar, maar toch niet helemaal. Tegen de verwachting in bijvoorbeeld blijken dansers bijvoorbeeld niet fitter te zijn dan leeftijdgenoten met andere beroepen. Integendeel, wetenschappelijk onderzoek laat zien laat zien dat vermoeidheid en overbelasting bij dansers de belangrijkste oorzaken van blessures zijn. Om daar wat aan te doen heeft de Theaterschool de Healthy Dancer Diary, een digitaal logboek voor dansers online gezet. 
   Hoewel Margot Rijven met pensioen gaat, ziet ze er nog als een prima ballerina uit. Heel elegant, maar misschien een tikkeltje te slank. Ik hoop maar dat de studenten daar geen voorbeeld aan nemen. Aan haar passie en gedrevenheid wel. In het dankwoord wordt Margot Rijven een pionier van de meest vasthoudende soort genoemd. Vooruitkijkend – niet achteruit – naar wat nog moet worden ontdekt. 
   De lofbetuigingen aan het adres van Rijven gaan maar door en door. Een beter afscheid kan je je niet wensen. Weggaan in de wetenschap dat je je geesteskind in vertrouwde handen achterlaat. Haar werk aan de Theaterschool wordt voortgezet. En ook het symposium 'Dansgezondheid verbeter(t/d)’ krijgt een jaarlijks vervolg. Om te beginnen in Arnhem op de ArtEZ Dansacademie, maakte directeur Gaby Allard bekend. Gegarandeerd worden er zo steeds gezondere dansers en dansmakers opgeleid.

Altijd als ik de paren vol overgave zie dansen, de mannen supergeconcentreerd en de vrouwen in katzwijm tegen hun schouder gevleid, een gelukzalige glimlach op het gezicht, neem ik me voor deze verleidelijke dans te gaan leren. Wat me er totnogtoe van weerhield is dat tango niet de makkelijkste dans schijnt te zijn en dat je er veel tijd in moet steken. Fanatieke dansers vertrekken drie, vier keer per week rechtstreeks van werk naar een tangosalon, ergens in het land. Tango is een verslaving.
   Maar eindelijk komt het er dan van. Martha Luz en ik hebben onze eerste tangoles. In de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord. Een historische plek, want in de tijd dat er vanwege de zedelijkheid in de hoofdstad niet in het openbaar mocht worden gedanst, trokken de Amsterdammers ’s zomers massaal met het pondje het IJ over naar de Tolhuistuin en andere lustoorden buiten de stadsgrens. Daar kon je vrijuit van de muziek genieten, lekker dansen en wie weet een vrijer opdoen. Een bekende hit was Leon Boedels’ Tolhuis, kiele, kiele Tolhuis. Nog geen honderd meter van de Tolhuistuin verwijderd, kon het publiek in 1913 - nadat de dans eerder in Den Haag was gedemonstreerd – voor de allereerste keer in Nederland zelf tangodansen. In een Belgische danstent die op het lunapark naast de scheepvaarttentoonstelling ENTOS stond. Op een draaiende dansvloer nog wel.
   De houten dansvloer van de Tolhuistuin is stukken minder lux. We dansen op losse vlonders, die normaal gebruikt worden als de stoep opgebroken is. Je moet goed uitkijken dat je in de gaten je enkels niet verzwikt. En dan nog moet je voorzichtig om de stalen kabels van de overspanning heen laveren. Maar buiten dat valt de eerste les honderd procent mee. De tango is minder moeilijk dan gedacht, althans de basispassen die ons door Anouk en Hester van dansschool Tangotalks worden aangeleerd. Eerst alleen maar lopen, dan een glijdende pas naar links, en dan weer terug. Totdat we onder het toeziend oog van de gevorderden beginnen te dansen en de dames met veel gelach hun eerste draaitje mogen doen. Wat ons betreft: wordt vervolgd!

Ik ga er iets bevooroordeeld heen. Want balfolk blijft gewoon volksdans. Al willen balfolkers dat liever niet weten en distantiëren volksdansers zich ervan omdat de pasjes te eenvoudig zouden zijn. De muziek waarop wordt gedanst is ook geen volksmuziek maar traditionele muziek.
   Hoe dan ook, in de eenvoud van balfolk schuilt juist zijn grote kracht. De dansen die ons 14 mei in het Amsterdamse Muiderpoorttheater worden aangeleerd, hebben de nieuwkomers zo onder de knie. Eerst de Bretonse andro, die in een lange bewegende sliert met de pinken in elkaar wordt gedanst, drie pasjes naar links, drie pasjes op de plaats, de armen draaiend naar voren en weer naar achteren. Vergeet de dansers tegenover je niet aan te kijken, instrueert dansdocente Dominique. 
Dan een scottish, een kind kan de was doen. Iets ingewikkelder, maar leuk omdat je steeds van partner wisselt, is de jig. Maar bij de mazurka raak ik de tel kwijt en als na het lesgedeelte een bourrée wordt gespeeld, haak ik af. Dié hebben we niet geleerd!
   Aan de bar raak ik in gesprek met twee dames die ook een kijkje zijn komen nemen. ‘Had ik mijn dochter maar vroeger hierheen gestuurd’, verzucht dame 1 met een lachje, ‘zulke nette jongens en meisjes...’ Met hun lange haar en lange rokken, lijken sommige meisjes inderdaad rechtstreeks te zijn weggewandeld uit de televisieserie Little House on the Prairie. Anderen dragen keurige ballet- en avondjurkjes. Maar er lopen ook jongeren rond die er met gleufhoedjes en bonte feestkleding meer werk van hebben gemaakt. 
   Balfolk, een jaar of vier geleden uit België overgewaaid, groeit hier nog steeds, zegt organisator Arnoud, en maakt duidelijk een ontwikkeling door. ‘Veel balfolkers doen ook aan lindyhop en tango, dat zul je wel zien als de tweede band straks komt.’
Als het Duo Absynthe een tangoritme inzet, wordt het dansen inderdaad intiemer en naarmate de avond vordert, gaan de dansers steeds meer in elkaar op. Hun lichamen verstrengelen zich en dan valt het keurige imago van hen af. Dan ook begrijp ik eindelijk het verschil: balfolk is volksdans, maar zo zwoel als de tango.  

De tuinzaal van het Goethe-Institut in Amsterdam is goed bezet. Maar tot mijn verbazing herken ik bijna niemand uit de danswereld, op Bettina Masuch van Springdance en choreografe Nicole Beutler na. Dat zijn dan ook sprekers op de discussiebijeenkomst Back to nature op 19 maart. Een voorstelrondje langs de aanwezigen verklaart veel. Zeker de helft blijkt te bestaan uit landschapsarchitecten of studerenden daarvoor. Zij zijn afgekomen op de naam van Eric Ellingsen van het Institut für Raumexperimente in Berlijn. Enkelen van hen dansen ook in hun vrije tijd, waaronder Hanneke Kloosterman van i3m2r, buro voor groene projectchoreografie.
   Aanleiding voor het debat is de nieuwste productie van nb projects, The Garden, die ik diezelfde avond in Frascati zie. Daarin onderzoekt Nicole Beutler de kunstmatige, dialectische scheiding tussen natuur en cultuur. In de Romantische voetsporen van Jean-Jacques Rousseau verkent zij het verlangen naar ‘Le retour à la nature’. 
   Tijdens Back to nature maakt Bettina Masuch met ons een spannende reis door de dansgeschiedenis om te kijken wanneer er een verlangen in de dans aanwezig is geweest om terug te keren naar de natuur, beginnend in het begin van de twintigste eeuw bij ‘blote-voeten-danseres’ Isadora Duncan. Het is jammer dat ze zich daarbij beperkt tot de podiumdans. Want er bestaan interessante parallellen met de vernieuwde belangstelling voor volksdans, de opkomst van het openluchttheater en de Freikörperkultur. 
   In high speed laat Eric Ellington vervolgens zien hoe dans en architectuur elkaar kunnen beïnvloeden. We zien hoe in Japanse tuinen wandelaars in een soort choreografie het landschap worden doorgeleid. Inspirerend zijn vooral de stadsroutes georganiseerd door het Institut für Raumexperimente, waarbij de deelnemers van A naar B gaan door bijvoorbeeld geuren te volgen.
   Terwijl het ene boeiende voorbeeld na het andere aan ons voorbij raast, dringen zonnestralen om het projectiescherm heen de tuinzaal binnen. Om The Garden in dit jaargetijde op te voeren is perfect getimed. Het is lente!
DANSBLOGS


De blogs op deze pagina verschenen eerder als voorwoord in Dans Magazine. Soms haken ze in op actuele onderwerpen in de danswereld. Maar vaak ook gaan ze over wat dansen is, wat dansen met je doet. En altijd met een persoonlijke noot van de auteur. 
 




INHOUD 

Home dansblog
Verkeerde been? - 13 april 2018
Vrienden - 13 april 2018
Fix it - 16 februari 2018
Danskaraoke - 15 december 2017
Broken record - 13 oktober 2017
Dans voelen - 14 april 2017
Dansen voor geluk - 17 februari 2017
Dans kijken - 16 december 2016
Doodsteek - 16 oktober 2016
Inspirerend - 1 september 2016
Duplicate - 19 februari 2016
Dansdialoog - 18 februari 2016
Dope dansmoves - 15 december 2015
Dansend gezicht - 15 oktober 2015
Zachtheid - 15 augustus 2015
Eigen weg - 29 mei 2015
Verkeerde been - 10 april 2015
Waarde van dans - 13 februari 2015
Dansen voor iedereen - 12 december 2014
Next step - 19 oktober 2014
Schokkend - 22 augustus 2014
Winnaars - 29 mei 2014
One of a Kind - 15 april 2014
Intiem - 15 februari 2014
Stoelendans - 16 december 2013
Virtueel dansmuseum - 15 oktober 2013
Dubbel feest - 1 september 2103
Doordansen - 1 juni 2013
Applaus - 15 april 2013
Helemaal los - 15 februari 2013
Don't fear - 14 december 2012
Solo - 19 oktober 2012
Godenzonen - 31 augustus 2012
Uit de kast - 1 juni 2012
Punk - 20 april 2012
Dance date - 16 februari 2012 
Een gezond 2012 - 16 december 2011
Tolhuis, kiele kiele - 26 augustus 2011
Zwoel als de tango - 3 juni 2011
Back to nature - 15 april 2011 
While things can change - 18 februari 2011
I feel good! - 13 december 2010


 

LAATSTE REACTIES