joost groeneboer
culture notes


Zeedijk 63, Amsterdam

Wat mij aantrekt aan het Red Light District, dat vroeger met de termen ‘rosse buurt’ of nog eerder ‘Donker Amsterdam’ werd aangeduid, is dat het een buurt vol tegenstellingen is. Van goed en slecht. Van verbieden en gedogen. Waar een constant gevecht wordt geleverd tussen wat mag en wat niet mag. 

In het algemeen mocht er vroeger meer. In de tijd dat dat elders niet kon – tot 1924 gold er in Amsterdam een officieel verbod op dansen in het openbaar – trokken de dienstmeisjes uit de grachtengordel en de fabrieksmeisjes uit de Jordaan massaal naar de danshuizen en danskelders op de Zeedijk om daar met elkaar en de matrozen te dansen.
De reden dat het daar wel gedoogd werd, was dat de zeelui hun vertier moesten hebben. Veel Amsterdammers namen ook het pontje naar Amsterdam-Noord. Om net buiten de stadsgrenzen te ‘steppen’ in het Tolhuis, nog zo'n monument van het Amsterdamse uitgaansleven.

In het fin de siècle, eind 19e eeuw, vormden de Nes, Warmoesstraat en Zeedijk één lange uitgaansstraat vol kroegen, danstenten, tingeltangels, en café-chantants. Café Het Mandje is daar een van de laatste overblijfselen van. Een historische plek voor de homo-emancipatie van Amsterdam. De uitbaatster, Bet van Beeren, was een kleurrijke figuur.
Toen ze in 1967 aan een leverkwaal overleed, besteden alle kranten er aandacht aan. Tot in de details werd beschreven hoe Bet naar eigen wens op het biljart in een zee van paarse linten opgebaard lag. Hoe ze op haar twaalfde – ze kwam uit een Jordaans gezin met 14 kinderen – meehielp de kost te verdienen door op straat met vis te venten. Daar kwam haar bijnaam ‘Betje Bokkum’ vandaan. Hoe ze het café in 1927 van haar oom overgenomen had. Dat het een ‘struise’, maar ‘joviale’ vrouw was. Een forse vrouw, gekleed in lange broek en witte overjas. Dat ze met haar Norton – ze was de eerste vrouw in Nederland met een motor – soms zo Het Mandje binnenreed. Dat ze van alle mannen die het café binnenkwamen als souvenir hun das afknipte en aan het plafond hing. En dat ze geen blad voor de mond nam en alle edele delen en de paringsdaad bij hun naam noemde.

Maar geen woord repten de kranten over haar lesbisch zijn en over de functie die het Mandje vervulde als ontmoetingsplaats van zowel mannelijke als vrouwelijke homoseksuelen. Met name op Koninginnedag werd er samen flink op los gedanst.
Brigadier Bosshard (de latere Majoor) sprak lovend aan Bet van Beerens graf over alle activiteiten die ze voor arme buurtkinderen en oude van dagen organiseerde, maar zei er wel bij dat ook Bet ‘haar foutjes’ had. Waarmee ze ongetwijfeld Bets alcoholprobleem en haar seksualiteit bedoelde.

Gert Hekman, vanaf 1984 docent homostudies aan de UvA, schreef een baanbrekend boek over ‘De roze rand van Donker Amsterdam’. Daarin beschrijft hij uitvoerig hoe de zedenpolitie streng controleerde in homobars. De reden dat Het Mandje het zo lang volhield, is dat Bet erop toezag dat in het café niet geflikflooid werd – geen zoenen of aanraken. Evenals enkele andere cafés had Het Mandje een handig waarschuwingssysteem. Op de bar stond een stenen uiltje, met een lampje erin. Als er politie binnenkwam, of heteroseksuelen, lichten de ogen van het uiltje op. Daar komt de nog steeds gebezigde uitdrukking ‘uilen’ voor heteroseksuelen vandaan.

Het stenen uiltje staat nu in het Amsterdams Museum, waar een complete replica van Het Mandje is nagebouwd. Met veel van de originele objecten. Je ziet het misschien nauwelijks, maar ter bescherming van de originele foto’s op de wanden zijn deze vervangen door een fotobehangetje. Maar de uitstraling is nog zoveel mogelijk zoals in de tijd van Bet van Beeren moet zijn geweest.
Na het overlijden van Bet heeft haar zus Greet het café doorgezet. Met de drugsoverlast in de jaren ’70 en ’80 is Het Mandje decennialang dicht geweest, maar nooit verdwenen. Na een ingrijpende verbouwing is het in 2008 weer heropend en vormt het een levend monument voor homo-Amsterdam.

Lees ook mijn artikelen in Ons Amsterdam:
Passagieren op de Zeedijk
Verboden te dansen







Nieuwmarkt 5-H

Zaterdags van 5 tot 8 is dit ´the place to be´.
Martha Luz, mijn vrouw, en ik komen hier al jaren. Voor de live jazzmuziek, maar vooral ook om de bijzondere sfeer die er hangt. Die voor een groot deel wordt bepaald door de bijzondere mensen die er komen. Heel diverse mensen: muziekliefhebbers, kunstenaars, buurtbewoners, mensen die in de rosse buurt hebben gewerkt, mensen van Surinaamse afkomst, oud-klanten, en iedereen die nog een beetje de sfeer van vroeger wil proeven.
Want dit is een bar met een verleden. Zo’n tien jaar geleden kon je hier nog klanten van het eerste uur tegenkomen. Zoals Jetty Wagenaar, een ‘grand lady’ van het uitgaansleven van de jaren ’60. En Eddy Faithfull, die vroeger zijn eigen café had, maar ook jaren achter de bar van de Cotton Club heeft gestaan.

Het roemruchte verleden is hier alom aanwezig. De eigenaars proberen dan ook zo weinig mogelijk aan het interieur te veranderen. De vele foto’s aan de wand, die onlangs wel nettere lijstjes hebben gekregen, het beschilderde plafond – je kunt het mooi of lelijk vinden, maar er wordt gezegd dat het Cobra is – en de stukgeschoten, beschilderde ruiten en spiegels.
Ook al zo’n wonderlijke verzameling, die spiegels. Met afbeeldingen van de Waag – hier recht tegenover – van de oprichters, Frits en Alida Smit, maar ook bijvoorbeeld van het Amerikaanse vrijheidsbeeld en van een zwarte vrouw met mand op haar hoofd, refererend aan het koloniale verleden.

Toen dochter Annie begin jaren ’50 Cafe Smit van haar ouders overnam, doopte ze het om in de Cotton Club. Naar haar vriend Theodorus Kantoor, een trompettist van Surinaamse afkomst, die onder de klinkende naam Teddy Cotton – Nederlandse namen deden het niet zo goed – met Kid Dynamite optrad in Casablanca op de Zeedijk. Een beroemde jazztempel in die tijd.

Evenals Casablanca, maakte de Cotton Club naam toen de in Duitsland gelegerde zwarte Amerikaanse militairen naar Amsterdam toekwamen. Zij namen jazzplaten voor de jukebox mee. Jazz en marihuana trokken progressieve jongeren en artistiekelingen naar het café – zoals Remco Campert, Ramses Shaffy, Adèle Bloemendaal en Aat Veldhoen.

Veel bezoekers ook waren van Surinaamse afkomst. Veel alleenstaande mannen, die elkaar graag opzochten in het uitgaansleven. En zich aangetrokken voelden tot de blanke meisjes die er kwamen dansen en vise versa. Zo werd dit een van de eerste Amsterdamse café’s waar blank en zwart elkaar ontmoetten.

De Cotton Club is een echt familiebedrijf. Het wordt nu gerund door de kleindochter van de oprichters, Marion Lewis, en haar dochter Dewi. En toen ik laatst kwam vragen of we langs mochten komen met het LKCA, stond een van Marions kleinzonen achter de bar.
Zoals gezegd: van 5 tot 8 is dit ´the place to be´. Dan moet je, vooral in de wintermaanden, dringen om de muziek goed te kunnen zien.

Het is hier soms net een film. De gemiddelde leeftijd is hoog. Maar de bezoekers hebben over het algemeen een heel jeugdige uitstraling en dat is prachtig om te zien. Aan de wand zit steevast een rijtje oudere mannen, die met een twinkeling in de ogen aandachtig de verrichtingen van de muzikanten volgen. En als de muziek opzwepender wordt, waagt ook een groepje meisjesachtige dames een dansje.

Lees ook mijn artikelen in Ons Amsterdam:
Passagieren op de Zeedijk
Verboden te dansen








 

  

FOTO Martha Luz Machado Caicedo

 

    TEKSTEN   

                REDACTIE   

ADVIES   

 RESEARCH   



JOOST GROENEBOER
 
info@joostgroeneboer.com  

tel. 06-46511150